Heim, M., Ledoux, G., Elshof, D. & Karssen, M. (2016)

Ingeslagen paden. De samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs en hun nieuwe procedures voor de toewijzing van onderwijsondersteuning

 

Rapport 952

ISBN 94-6321-013-3

Amsterdam: Kohnstamm Instituut

 

 

Contactpersoon

voor onderzoek van onderwijs, opleiding, opvoeding en jeugdhulp wetenschappelijk, onafhankelijk en betrouwbaar verbonden aan de Universiteit van Amsterdam

Wisselende oordelen over nieuwe manieren van toewijzing in samenwerkingsverbanden passend onderwijs

 

Directeuren van samenwerkingsverbanden en functionarissen die betrokken zijn bij de toewijzing van extra steun aan leerlingen zijn tevreden over de nieuwe manier waarop zij de toewijzing georganiseerd hebben. Dit geldt in veel mindere mate voor de intern begeleiders en de zorgcoördinatoren binnen de scholen. Zij vinden de procedures vergeleken bij de situatie vóór passend onderwijs minder transparant. Ook vinden zij dat de toewijzing minder deskundig gebeurt en constateren zij dat er minder middelen beschikbaar zijn.

 

Nieuwe manieren om steun toe te wijzen aan leerlingen met speciale onderwijsbehoeften

Sinds 2014 zijn de samenwerkingsverbanden passend onderwijs volledig vrij in de wijze waarop zij extra onderwijsondersteuning inrichten en toekennen aan leerlingen en in de verdeling van de middelen over scholen. Er bestaan geen landelijk vastgestelde criteria meer voor het toekennen van voorzieningen. De verwachting was dat deze nieuwe manier van toewijzen van extra steun zou leiden tot meer flexibiliteit, minder bureaucratie, minder ‘labelen’ van kinderen volgens medische criteria en een efficiënter gebruik van financiële middelen. Door critici werden echter ook zorgen geuit, namelijk dat deze decentralisatie zou kunnen leiden tot minder transparantie, minder rechtsgelijkheid en minder deskundigheid bij het toewijzen van extra steun.

 

Uit survey-onderzoek van het Kohnstamm Instituut waarin de toewijzing van extra onderwijsondersteuning is onderzocht vóór en ná de invoering van passend onderwijs, blijkt dat directeuren van samenwerkingsverbanden gemiddeld positief zijn over de nieuwe situatie. Ze vinden dat de genoemde verwachtingen uitkomen en dat dat zelfs nog meer het geval is dan ze zelf vooraf dachten. Ze zijn ook van mening dat de genoemde nadelen niet zijn opgetreden. Dit alles geldt ook voor personen binnen de samenwerkingsverbanden die betrokken zijn bij de toewijzing van extra steun (bijvoorbeeld als lid van een toelatingscommissie): hun meningen lijken op die van de directeuren van de samenwerkingsverbanden.

 

Bij scholen een gemengd beeld

De personen die in de scholen het meest met leerlingenzorg te maken hebben (intern begeleiders in het primair onderwijs en zorgcoördinatoren in het voortgezet onderwijs) blijken de nieuwe situatie veel minder gunstig te beoordelen dan de directeuren en de toewijzers. Zij vinden weliswaar dat er sprake is van minder bureaucratie dan voorheen, maar wat betreft transparantie, deskundigheid en voldoende middelen vinden ze dat er sprake is van een achteruitgang. En ze vinden de nieuwe manier niet flexibeler, terwijl ze dat vooraf wel verwacht hadden.

 

Mogelijke verklaringen

Een mogelijke verklaring voor het verschil in oordelen tussen de vertegenwoordigers van de scholen enerzijds en van de samenwerkingsverbanden anderzijds is dat de intern begeleiders en zorgcoördinatoren niet zelf de ontwerpers van de nieuwe procedures zijn geweest en daardoor minder inzicht hebben in wat er precies veranderd is en waarom. Andere mogelijke verklaringen zijn dat directeuren en toewijzers zich meer identificeren met het nieuwe beleid en wellicht te optimistisch zijn over de effecten op scholen of dat men op de scholen nog moet wennen aan de nieuwe procedures en de omschakeling van de oude naar een nieuwe situatie. En misschien is er nog niet genoeg gecommuniceerd over aard, inhoud en bedoeling van de veranderingen.

 

Verder onderzoek

Het onderzoek maakt deel uit van het evaluatieprogramma Passend Onderwijs, dat door een consortium van onderzoeksinstituten wordt uitgevoerd in opdracht van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek. Verder onderzoek binnen dit evaluatieprogramma moet uitwijzen welke verklaring(en) de meeste geldigheid hebben.